Zo vertelt je moeder je dat iemand uit je ouderlijk dorp kanker heeft

Als je bent vertrokken uit het dorp waar je bent opgegroeid, kun je er vanuit gaan dat wanneer je met je moeder belt ze regelmatig meedeelt dat iemand uit je ouderlijk dorp kanker heeft. Hieronder lees je via welke fases zo’n gesprek verloopt en welke reacties je kunt geven.

Fase 1: Introductie van het slachtoffer


“Haiii m’n lieve schat, hoe is het? Ja, gaat het goed? Met mij ook, maar met Frans niet zo. De ex-man van tante Wilma, die man waar jij toen je vijf was een keer met je voortanden op de rand van de tafel bent geknald en die jou toen naar de dokter heeft gebracht. Je weet wel, die een paar maanden later toegaf dat 'ie al jaren vreemdging met Wilma’s collega van de Blokker en daarna aan de drank raakte. Weet je wat er met hem is?


“Geen idee.”

Fase 2: De mededeling

“Nou, wat denk je? Hij heeft dus kanker.”


“Oh.”

Fase 3: Verdere details over het verloop van de ziekte

“Frans was vorige week nog aan het werk in die loods weet je wel, daar net buiten het dorp? Bij dat ene tuinbouwbedrijf, hoe heet het nou? Daar was hij heftruckchauffer. Hij had nergens last van maar viel vorige week opeens, pats, uit de heftruck. Nou, Frans dus naar het ziekenhuis, maar daar stuurden ze hem eigenlijk meteen weer naar huis. Helaas, niks meer aan te doen, had de dokter gezegd, je zit van top tot teen onder de kanker. Geen chemo, niks!”


“Jeetje.”

Fase 4: Relativering

“Ja, onvoorstelbaar. Nou ja, ik kende Frans ook helemaal niet zo goed en ik heb hem eigenlijk nooit meer gezien nadat ‘ie Wilma zo besodemieterd heeft, maar goed. En ja, hij rookte een pak zware Van Nelle per dag en zoop iedere avond drie flessen goedkope bocht, dus echt een verrassing is het niet. Maar toch, hè? Heel vervelend.”


“Ja.”

Fase 5: Betrekking op haarzelf

“Als je dat zo hoort dan hoop ik toch echt dat papa en ik nog een tijdje meekunnen. Stel je voor dat ik opeens dood neerval van de kanker. Dat kan ik er echt even niet bijhebben.”


“Nee.”

Fase 6: Beëindigen van het onderwerp

“Maar hoe is het met jou? Heb je je verzekering al op orde? Dat moet je niet vergeten.”


"Ma?"


"Ja?"


"Wie is in godsnaam Frans?"